Koliek

Door: Margreet Lameris en Leonie Vinke
Voor: Bit


Aan koliek liggen verschillende oorzaken ten grondslag en waarbij het paard zich dan ook zeer verschillend kan uiten, van rustig liggen tot zich laten vallen en wild rollen.
Koliek kan met het opstallen gepaard gaan doordat er zoveel omgevingsfactoren veranderen. De diverse factoren die veranderd zijn kunnen aanleiding geven tot verstopping, overmatige gasvorming in de darmen, kramp van de darmen, ophoping van zand etc. in de eerste plaats verandert het rantsoen vaak vrij drastisch. De omslag van gras naar ruwvoer in de vorm van hooi en of kuil geeft een verandering in vertering en hierdoor kan het paard last krijgen van verstopping of juist slappe mest krijgen. Forse verstopping kan leiden tot koliek.

Paarden krijgen bij het langduriger op stal staan meer kans om bodembedekking zoals stro te eten, wat kan resulteren in stroverstopping. Om te voorkomen dat het paard de bodembedekking eet is het raadzaam het ruwvoer in voldoende hoeveelheden en verdeeld over de dag te voeren. Idealiter kan men het krachtvoer ook in kleine porties over de dag verdeeld voeren. Eventueel kan ander strooisel gebruikt worden voor de box van een paard dat geneigd is om stro te eten. Een verandering van bodembedekking die het paard niet zal eten is dus niet alleen aan te raden om het stalklimaat minder stoffig te maken alswel het voorkomen van verstopping. Ook het feit dat het paard plotseling minder beweging krijgt heeft een invloed op de vertering van het paard, voldoende beweging is dus niet alleen nodig om het paard in conditie te houden maar ook voor een goede digestie en ter preventie van verstopping.

Als het paard minder mest produceert dan normaal gesproken of het aangeboden voer weigert kan er sprake zijn van obstipatie, zelfs wanneer het paard niet krabt, rolt en of ligt. In dit geval dient u contact op te nemen met uw dierenarts. Daarnaast kan er door te plotselinge omslag in het voer in combinatie met te weinig beweging ook krampkoliek ontstaan, waarbij het paard soms vrij veel pijnuiting kan geven. Vooral bij deze vorm van koliek is het afstappen van het paard bevorderlijk. De oorzaak zal in veel gevallen niet uitgemaakt kunnen worden door de eigenaar maar als beweging de koliek vlot doet verdwijnen is het aannemelijk dat het inderdaad een krampkoliek geweest is. Als afstappen geen snelle verbetering geeft is het inschakelen van de dierenarts noodzakelijk.

Geleidelijk omschakelen naar een ander rantsoen zorgt ervoor dat de spijsvertering van het paard zich aanpast. Het langzaam afbouwen van weidegang verdient hierbij de voorkeur boven plotseling opstallen. Wanneer af en toe nog weidegang gegeven wordt op een weide waar het gras erg kort is en er kale plekken ontstaan bestaat er een kans dat er met het kort afgrazen veel zand opgenomen wordt. Wanneer dit zich verzamelt in de dikke darm van het paard kan het tot irritatie van de darm leiden wat slappe mest kan geven en waarbij op den duur zandkoliek kan ontstaan door het grote volume zand dat zwaar in de darm ligt.

Vaker verweiden, ruwvoer bijvoeren in het land of het paard los laten lopen in een paddock waar niet gegraasd kan worden zorgen ervoor dat minder zand opgenomen wordt. Het geven van lijnzaad en of psilliumzaadjes, eventueel in de vorm van een kant en klaar product kunnen het paard helpen zand kwijt te raken. Helaas is de doeltreffendheid hiervan niet altijd even groot en verschilt per product, per gegeven hoeveelheid en per individu hoe goed het zand afgevoerd wordt uit de darmen. Ook hier geldt dus: voorkomen is beter dan genezen.

Vermageren
Er zijn paarden die het ’s winters beduidend “minder doen”dan zomers. Vermageren en wat dof in het haar zitten worden soms door de eigenaar opgemerkt. Een mogelijke oorzaak zou kunnen zijn dat het paard meer moeite heeft met het opnemen van hooi dan van gras. Gebitsproblemen zouden hieraan ten grondslag kunnen liggen. Verder draagt het slecht kauwen van het ruwvoer bij aan verstoppingsproblematiek. Bij het maken van proppen, het langzaam eten, speekselen, wanneer het paard lastig is in de mond en of ‘vasthoudt’ zijn hiervoor aanwijzingen. Deze zaken worden pas gezien als de problemen significant zijn, waarbij een eerdere behandeling deze problemen had kunnen voorkomen. Omdat gebitsproblemen dus niet altijd tijdig worden onderkend is het raadzaam is om het gebit van het paard dan ook periodiek goed te laten inspecteren en eventueel behandelen.

Ongewenst gedrag
Paarden zijn sociale steppedieren die van nature bepaalde behoeften hebben. Wanneer een paard dag en nacht op stal staat kan het tegemoet komen aan bepaalde behoeften in het gedrang komen. Het paard kan zich niet vrij bewegen, heeft minder mogelijkheid tot sociale interactie met andere paarden en kan zich niet zo’n groot gedeelte van de dag bezighouden met voeropname. Uit frustratie en verveling kan het paard ongewenst gedrag gaan vertonen zoals kribbebijten, luchtzuigen, weven, zich slaan tegen de wand enzovoorts. Het tegemoet komen aan behoeften van het paard, ook in de winter, kan het ontstaan van deze ongewenste gedragingen voorkomen. Voldoende beweging geven van het paard, zo mogelijk toch weidegang en eventueel in de paddock vrij laten is hier een belangrijk onderdeel van. Het niet alleen opstallen en met andere paarden buiten laten lopen geeft de mogelijkheid tot sociaal gedrag. Het ruwvoer in voldoende hoeveelheden aanbieden en verdelen over de dag geeft het paard iets te doen en werkt zoals eerder genoemd ter preventie van koliek. Het is beter om het paard een grotere hoeveelheid ruwvoer te geven en de krachtvoergift eventueel iets te verminderen bij een sober dier zodat het niet in korte tijd opgenomen wordt en vervolgens verveling optreedt.

Luchtweginfecties
Wanneer paarden in groepen opgestald worden is in het algemeen de infectiedruk hoger doordat er meer dieren op een kleiner oppervlak staan en er bovendien meer jonge, gevoelige paarden zijn in de winterperiode. Hierdoor krijgen luchtweginfecties ten gevolge van een luchtwegvirus soms meer kans. Wanneer er een of meer paarden zijn met neusuitvloeiing, hoesten, sloomheid en of een verminderde eetlust is het goed om te temperaturen. De normale temperatuur van een volwassen paard is 37,4-38.0 en wanneer de temperatuur beduidend hoger is kan dit wijzen op een virusinfectie. Wanneer het paard een of meer van voornoemde symptomen heeft is het goed om een dierenarts te raadplegen. Ter preventie van infecties met influenza en rhinopneumonie (equine herpes virus) kan gevaccineerd worden. Het vaak inbrengen van nieuwe paarden verhoogd de kans op het inslepen van infecties. Sommige luchtweginfecties kunnen leiden tot abortus bij drachtige paarden. Om deze reden is het verstandig om, waar mogelijk, de drachtige merries apart van de andere (wedstrijd)paarden te stallen.

Mok en stalbenen
De oorzaken voor mok zijn tweeledig: enerzijds kunnen mijten een rol spelen en anderzijds kan een lokale huidinfectie ontstaan zonder dat er mijten aanwezig zijn. Bij mok die veroorzaakt wordt door mijten staan de paarden vaak te stampen en te schuren. Met name bij paarden met veel behang is dit soms een probleem. Mijten kunnen aangetoond worden door een afkrabsel te laten maken, waarna dan eventueel gewassen kan worden met een middel werkzaam tegen mijten. ’s Winters wordt mok vaak veroorzaak doordat de huid nat is en er kleine wondjes en korstjes ontstaan die geïnfecteerd raken met bacteriën. De kootholte is de meest voorkomende plaats, maar mok kan zich ook uitbreiden over de onderbenen. Deze huidontsteking onderhoudt zichzelf doordat er veel vocht uit de huid komt en pus onder korstjes een bron van bacteriën blijft vormen. Met name bij paarden met veel behang is dit een veel gezien fenomeen. Van belang is te zorgen dat het paard opgestald wordt op een schone, droge stal. Soms is het nodig het behang te scheren zodat de korstjes indrogen en het milieu minder vochtig word en zodoende een minder gunstig milieu vormt voor de bacteriegroei. Bij forse mok is het van belang dit serieus te nemen omdat de infectie zich kan uitbreiden en kan leiden tot ontsteking van de lymfebanen en de rest van het been waardoor het paard een fors gezwollen been krijgt (einschuss). Hierbij belast het paard het been minder, is kreupel en heeft soms koorts. Aandacht schenken aan de preventie en behandeling van mok kan dit probleem voorkomen. Wanneer alle vier de benen wat gezwollen zijn kan er sprake zijn van stalbenen. Bij een tekort aan beweging wordt lymfevocht onvoldoende afgevoerd uit de benen waardoor ze rondom de gewrichten en pezen wat op kunnen zwellen. Dagelijks voldoende beweging geven werkt preventief hiertegen.