Visie

De visie betreft de training van een springpaard zoals u op deze pagina kunt lezen is in 1998 geschreven door Quintin Maertens. Hoewel de tekst niet direct voor deze website is geschreven, is deze visie wel nog altijd een groot deel van de basis van de opleiding die bij Maertens springpaardentraining aan de paarden wordt gegeven. Zoals het in een zich ontwikkelend mens behoort te gaan hebben weer nieuwe ervaringen en opgedane kennis gezorgd voor een nog bredere, modernere meer op springpaarden toegespitste visie die in zijn eenvoud en ruimdenkendheid de oude overtijgt. Hopelijk krijg ik de gelegenheid ook deze op papier te zetten en zal ook deze na een aantal jaren verouderd aanvoelen.

Originele tekst:

Om een beeld te schetsen mijn visie betreft de training van een springpaard zal ik de fundamenten waarop de opleiding van mijn paarden is gebaseerd proberen toe te lichten.

Aanleuning:
Aanleuning is mijns inziens het belangrijkste aspect wat nodig is om van een getalenteerd paard een exceptioneel goed sportpaard te maken. Mijn definitie van aanleuning is: de drang of wil van het paard om te communiceren met de ruiter door een bepaalde constante druk te geven met de mond op het bit. Deze druk komt vanuit het achterbeen en vloeit door de bovenlijn van het paard (de broekspieren, de lange rugspieren, de schoft, de hals, het nekgewricht) via de mond en het bit naar de hand van de ruiter.
Heb je een constante aanleuning, dan heb je constant communicatie, heb je constant communicatie, dan heb je constant controle, heb je constant controle dan kun je je paard optimaal voor de hindernis zetten en hem zijn werk (het maken van de sprong) zo onbelemmerd mogelijk laten doen.

Voor een goede aanleuning zijn een aantal randvoorwaarden vereist:
• Een paard wat vertrouwen heeft in het bit en dus de hand van de ruiter.
• Een paard wat goed aan het been is en dus een actief achterbeen heeft.
• Een paard met een losse bovenlijn.

Zonder deze drie punten is wat mij betreft een fijne aanleuning niet mogelijk. Allereerst wil ik benadrukken dat aanleuning weinig met de krul in de hals van het paard te maken heeft. Zolang bovengenoemde punten in orde zijn kan een paard met zijn hals bijna gestrekt lopen maar toch een hele fijne aanleuning geven. Is een van deze punten niet in orde dan kan het paard nog zo “mooi” in de krul lopen maar is er geen sprake van aanleuning en dus ook niet van communicatie, laat staan controle.

Het paard geeft aanleuning, de ruiter neemt deze niet. Aanleuning is niet af te dwingen. Mede daarom is het een van de meest bestreden punten in het dressuurmatige paardrijden. Alleen door het paard sterk genoeg te maken zodat het het gevraagde werk aan kan, is het bereiken van de drie bovengenoemde punten mogelijk.
Is het paard niet sterk genoeg voor het werk, vraag het dan ook niet, blijf net zolang de dingen trainen die het wel kan een breid die basis steeds verder, ongemerkt uit totdat al het gevraagde werk tot de basis van het paard behoort. Dit is een lange weg vol geduld maar eenmaal bereikt geeft dit een compleet paard wat zijn werk met plezier, gemak en inzet doet, zonder dat hij iedere dag 30 minuten losgewerkt moet worden om zijn stijve spieren los te trekken. Alles wat je vraagt hoort bij de dressuurmatige basis van het paard.

Ik ben ervan overtuigd dat deze weg in de beginfase inderdaad langer duurt dan de snellere methoden maar dat deze tijd binnen twee jaar is ingehaald en dat bovendien de maximale prestatie van het paard hoger komt te liggen.

Aanleuning en de bovenlijn van het paard.
We willen in het springen dat het paard zijn bovenlijn als spanveer gebruikt om maximale energie in de sprong te kunnen leggen. (Bij de dressuur gebruiken we deze veer om zoveel mogelijk gewicht op de achterhand te kunnen plaatsen en zo een maximale bewegingsvrijheid van de voorhand te creëren.) Hoe langer de veer, hoe verder deze opgespannen kan worden, hoe meer energie in de sprong. De bovenlijn moet dus niet alleen zo lang mogelijk gemaakt worden maar moet ook opgespannen kunnen worden. Om de bovenlijn zo lang mogelijk te maken moet het paard zijn hoofd voor de loodlijn houden, zodat er geen knik in de veer komt, zit die er wel, dan kan dit deel niet mee doen in het leveren van energie. Bovendien is dit een teken dat er te weinig voorwaartse drang aanwezig is en dat het paard meer van achter naar voren gereden moet worden.

Een andere reden voor een slechte aanleuning is dat het paard het bit niet vertrouwd. Dit kan liggen in een te harde, onrustige hand, in een te statische hand (de ruiter moet wel een stille maar geen statische hand hebben) of in een te los contact. Ook als de hand te vaak en op de verkeerde momenten naar voren gestoken word, verliest het paard het vertrouwen op het bit. Het paard moet de lengte en dus de aanleuning zelf willen nemen, dan kan de ruiter zijn hand rustig mee naar voren geven (zonder de verbinding te verbreken) om zo de bovenlijn langer te maken en het paard te gymnastiseren (lang en laag). De neus dient altijd voor de loodlijn te zijn. Het paard dient dus recht op twee teugels te lopen met een voorwaartse drang waarbij de mond constant in verbinding staat met de hand van de ruiter en de neus voor de loodlijn is.

Als het paard niet actief genoeg is in het achterbeen, heeft dit consequenties voor de aanleuning. Het paard zal op de voorhand lopen en zwaar in de hand zijn. Het is nu zaak dit niet van voren op te lossen om hem “van de hand af te krijgen” maar de achterhand te activeren zodat het paard meer van zijn gewicht daarmee gaat dragen en zo een lichtere aanleuning gaat geven. Hoe opgericht een paard van voren ook loopt, hij moet dit altijd doen met een bolle bovenlijn en dus vanuit een gekanteld bekken. Een paard kan dit alleen zonder dwang doen als hij volkomen los is in zijn bovenlijn en deze rond en dus langer kan maken. Daarom is alleen kracht training niet voldoende voor een goed lopend sportpaard, dit gaat ten koste van de souplesse en dus zal ook daar iedere dag, ongeacht het trainingsdoel, aan het begin en einde van de training aandacht aan besteed moeten worden.

Een paard kan nog zo sterk zijn, zonder souplesse heb je niets. Zeker voor een springpaard heb ik dan liever nog souplesse zonder kracht. Telkens moet er gecontroleerd worden of het paard nog lengte aan kan en wil nemen. Het is hiermee niet gezegd dat ik mijn paarden enkel en alleen train op souplesse en in het “lang en laag” rijd. Wel train ik mijn paarden altijd met een bolle bovenlijn en wil ik altijd, vanuit iedere verzameling, naar het lang en laag kunnen rijden. Bij de gevorderde paarden kan dit echter betekenen dat ik ze laat werken in een hoge graad van verzameling. Als ik weet dat ik het paard op ieder gegeven moment naar het lang en laag kan rijden, dan hoef ik het eigenlijk al niet meer te doen. Twijfel ik of wordt het paard moe dan zal ik de voorwaartse drang en het aannemen van lengte proberen te bevestigen door wel daadwerkelijk naar het lang en laag te rijden om vervolgens weer terug te keren naar de betreffende oefening.

Springen en de bovenlijn van het paard.
In de sprong willen we zien dat het paard met voldoende bascule springt. Deze bascule is niets anders dan een lange, ronde bovenlijn. Ook hier moet het paard dus een losse bovenlijn en vertrouwen in het bit hebben. Heeft een paard in het dressuurmatige werk geen losse en ronde bovenlijn met de neus voor de loodlijn dan zal het ook niet met optimale bascule springen. Althans niet voor lang. Te vaak zie ik jonge paarden geweldig springen maar die, door een verkeerde training, later niet meer over de rug durven te gaan en met een vaste en holle rug gaan springen.
Hoe ronder het paard zich kan maken, hoe verder je hem kunt sluiten en dus zijn galop, met behoud van aanspanning, kunt verkorten. Dit vereist veel kracht van de achterhand van het paard en daarom moet er veel tijd gegund worden om het paard sterk genoeg te laten worden. Doe je dit niet dan zal het paard zijn bovenlijn gaan verkrampen en zal dit een verstoorde aanleuning en waarschijnlijk spierpijn tot gevolg hebben. Het is dan ook zaak de overgangen zeer geleidelijk te vragen zodat het paard de aanleuning kan volgen om zich zo, beetje bij beetje, verder te laten sluiten. Hierbij moet er tevens op gelet worden dat het paard aan één stuk blijft galopperen. Ga je te snel dan zal het paard in twee stukken gaan lopen en de rug wegdrukken.

Voor het naar voren rijden (openen van de galop) geldt hetzelfde; rijd je de overgangen te snel dan zal het paard de rug wegdrukken en gaan “rennen” in plaats van galopperen. Het hoofd komt dan te ver omhoog en het paard rent onder de ruiter en zichzelf vandaan waardoor het geen aanleuning meer kan geven. Om het paard nu terug te laten komen is dwang nodig, communicatie is door een gebrek aan aanleuning niet meer mogelijk.
Rijd je het paard voorzichtig van achter uit naar voren dan kun je de door het been van de ruiter opgewekte energie gebruiken om het paard te sluiten door het te begrenzen of je kunt het gebruiken om de galop de openen door toe te staan met de hand maar altijd ervoor zorgend dat de aanleuning in tact blijft en het paard over de rug blijft lopen. De ruiter moet altijd kunnen voelen dat het paard zich rond maakt en dat er voldoende spanning vanuit het achterbeen blijft komen.

Hoe verder het paard zich kan sluiten of openen, waarbij het toch voldoende aanspanning blijft geven, hoe meer mogelijkheden de ruiter heeft in het toerijden naar een hindernis, meer controle dus. Hoe meer controle, hoe groter de precisie van de afstand voor de afzet bepaald kan worden en hoe ongedwongener het paard zijn sprong kan maken. Dit is uiteindelijk het doel, zodat de kans op een foutloze rit het grootst is en de tijd in een barrage het snelst. De snelle ritten zijn mijns inziens altijd met veel souplesse, ongedwongenheid en controle gereden, met korte wendingen en snelle, soepele overgangen.

Wendingen en lengtebuiging.
Een paard dat zijn bovenlijn los kan laten en hem lang kan maken zal hoogst waarschijnlijk ook weinig moeite hebben met de lengtebuiging. Op voltes moet er altijd zorg voor worden gedragen dat het paard zij hele bovenlijn om het binnenbeen van de ruiter heen buigt en niet alleen buigt in de hals en ondertussen over de buitenschouder weg loopt. Als dit gebeurd, kunnen er twee oorzaken zijn; het paard is niet genoeg aan het been van de ruiter en probeert er gemakkelijk van af te komen, of het paard is fysiek niet in staat de gevraagde lengte buiging te geven.
In het eerste geval moet het paard allereerst met de buitenteugel begrensd worden zodat het weer recht op twee teugels gaat lopen en niet meer over de buitenschouder weg loopt (hoe harder er aan de binnenteugel getrokken word, hoe meer het paard over de buitenschouder weg zal gaan lopen). Vervolgens moet het paard spits gemaakt worden voor het binnenbeen zodat het hieromheen zal gaan buigen. Ook op de volte moet het paard dus met gelijke druk op twee teugels gereden worden. Doordat het paard in zijn hele lichaam buigt blijft de bovenlijn mooi in één lijn (zonder knik) en kan het paard aanleuning blijven geven en voldoende activiteit blijven geven in achterbeen. Dit laatste zorgt ervoor dat het paard in de wendingen, met een fijne aanleuning, voldoende op het achterbeen blijft waardoor de impuls in de wendingen niet verloren gaat. Hierdoor kan er na een wending toch snel gesprongen of naar voren gereden worden.
Als een paard volleerd is kan het soms in het parcours wel sneller zijn om het paard door je binnenbeen te laten vallen. Het paard is dan echter in staat om zoveel impuls vanuit het achterbeen te blijven geven dat het toch, zelfs in dat soort wendingen, op het achterbeen kan blijven.

In het geval van fysieke beperking in de lengtebuiging is een langdurigere aanpak vereist. Je kunt niet verwachten dat een paard met een stijve bovenlijn binnen een week super soepel is, zolang er, als je af stapt, een verbetering is ten op zichte van de situatie toen je opstapte, moet je tevreden zijn.
Het paard moet, om zich in zijn lijf te buigen, zijn spieren aan de buitenkant van de bocht langer maken. Het is dus weer zaak dat het paard lengte aan wil nemen. Wil het paard enigszins lengte aannemen dan kan er wat gewerkt gaan worden aan rekoefeningen door van het paard bijvoorbeeld wat buiging op een grote volte of op een rechte lijn te vragen. Vragen betekent dus ook vragen (in hoe verre deze vraag dwingend is zal per paard verschillen.). Hoe frustrerend het soms ook is, dit moet altijd met gevoel gedaan worden. Het paard mag nooit geforceerd worden de lengtebuiging te geven. Het moet altijd een samenspel zijn van de begeleidende hand en de buiging om het been. Alleen zo kan de voorwaartse drang en de aanleuning bewaard blijven. Om deze reden geloof ik ook niet in het inbuigen tijdens het halthouden. Er wordt dan van voor naar achter gewerkt en de neus zal altijd achter de loodlijn komen.

De strekoefeningen kunnen niet lang achter elkaar gedaan worden. De spieren hebben tussendoor een rustperiode nodig, wel kan het paard dan getraind worden in een andere oefening of op de andere hand, zolang het maar een andere spiergroep is. Als het paard niet overvraagd wordt dan zal het de volgende dag zonder spierpijn beginnen en zal het in zijn basis weer een beetje soepeler zijn. Ook hier is het begin weer moeilijk en soms langdurig maar zal deze tijd snel ingehaald worden. Uiteindelijk zal het paard aan gaan voelen als een balletje elastiek; rond, vlug en elastisch.
Heeft het paard wel spierpijn of is er om een andere reden een fysieke blokkade en helpt een andere vaak lichtere trainingsaanpak (bijvoorbeeld longeren) niet dan laat ik het paard bekijken door een fysiotherapeut of osteopaat met veterinaire opleiding. Helpt dat niet dan gaan we door naar de veterinaire kliniek.
Het is van belang niet te lang door te blijven trainen op een manier die voor dat paard op dat moment niet werkt. Om deze reden maak ik nooit van te voren een vast plan voor de training van een paard maar werk ik naar een einddoel toe in de tijd die dat paard nodig heeft. Iedere dag voel ik het paard weer opnieuw aan en probeer ik te voelen waar de beperkingen liggen. De beperkingen probeer ik dan door middel van een oefening waarin het paard tegen deze beperkingen op loopt te isoleren en aan te pakken. Door mijn anatomische en fysiologische kennis, vanuit mijn studie Diergeneeskunde, kan ik me vaak een beeld vormen van het probleem en zo op een logische wijze beredeneren wat een oplossing zou moeten zijn. Op deze manier kan ik ook, mocht het nodig zijn, mijn dierenarts van specifiekere informatie voorzien.

Gehoorzaamheid.
Alle bovengenoemde stelregels zijn erop gebaseerd dat het paard in principe gehoorzaam is. Is het dit niet dan zal duidelijk gemaakt moeten worden waar de grenzen en beperkingen vor hem liggen. Er moet altijd op gelet worden dat de ongehoorzaamheid niet voort komt uit pijn of een fysieke beperking, in dat geval worden er dingen gevraagd die het paard niet aan kan. Is het paard zeer fris of is het stomweg verwend bij een andere ruiter dan is het zaak zeer duidelijk te zijn in wat je van het paard vraagt. Frisse paarden moeten eerst aan de longe of d.m.v. galopwerk hun overenergie kwijt. Het heeft geen zin om hier tegen aan te vechten.

Bij verwende of brutale paarden is consequent zijn van groot belang. Bij de training is rust in het hoofd van het paard erg belangrijk. Ook een dominantiestrijd geeft onrust. Een paard voelt zich het prettigst als hij zijn plek in de rangorde weet en zich daar kalm bij neerlegt. Het moet het paard in de hele omgang en in het rijden heel duidelijk gemaakt worden dat wij de leiders zijn. Dit gebeurd wanneer het paard de grenzen en beperkingen die wij hem opleggen accepteert. Hoe sneller en duidelijker je na ongewenst gedrag op kunt treden hoe effectiever de correctie. Woede, angst of frustratie lijdt altijd tot inconsequent gedrag en dus onduidelijkheid van de ruiter.

Springen.
Hierboven heb ik mijn ideeën gegeven over de dressuurmatige basis van een springpaard. Overigens, voor een dressuurpaard is deze basis wat mij betreft grotendeels gelijk. Nu zal ik proberen mijn ideeën over de basis van het springen in woorden uit te drukken.

Het voornaamste doel bij het springen is de balk van de hindernis in de lepels te laten liggen. De enige die ervoor kan zorgen dat hij met zijn benen van de balk af blijft is het paard. De sprong zal het paard dan ook helemaal zelf moeten maken.
In de sprong kunnen wij het paard niet meer helpen. Het enige wat wij kunnen doen is hem zo min mogelijk in de weg zitten zodat het paard de meeste vrijheid heeft om zijn lichaam optimaal te gebruiken om van de balk af te blijven. Zitten wij hem wel in de weg dan zal het paard zijn bascule niet goed kunnen beginnen (bijvoorbeeld door een te lang, te strakke hand) of afmaken (bijvoorbeeld door een te snel terugzittende ruiter of een storende hand).
Bij een te snel terugzittende ruiter of een op de sprong storende hand zal het paard zich proberen te beschermen door zijn rug weg te drukken of door zijn hoofd omhoog te brengen. In beide gevallen kan hij de bascule niet afmaken en zal hij de voorbenen laten hangen, met een voorbeenfout tot gevolg, of zal hij, door het vasthouden van de lendenen, de achterhand niet openen en de bascule afbreken. Vaak zijn fouten met de achterbenen hiervan het gevolg.

Ik ga ervanuit dat het betreffende paard in principe kan springen. Het hoeft niet een super getalenteerd paard te zijn maar er zijn ook paarden die wat springtechniek betreft echt helemaal geen aanleg hebben. Het is niet de moeite waard om met deze paarden aan het werk te gaan. Het werk zal nooit makkelijk zijn voor deze paarden, laat staan leuk. Hoogstwaarschijnlijk zullen ze een hekel aan het werk krijgen met stoppen of staken tot gevolg.

Een paard kan best de eerste paar keer de balk van een kruisje eraf gooien, dat wil nog niet zeggen dat het een slechte springtechniek heeft, het is eerder een teken dat hij het spelletje nog niet helemaal begrepen heeft. Het kan ook best zo zijn dat een groen paard de eerste tijd door de spanning absoluut niet over de rug springt. In dit geval is geduld weer van belang. Blijf net zo lang op die hoogte oefenen en laat hem keer op keer volledig zelf de sprong maken, ook al loopt hij de balk er 15 keer af. Probeer keer op keer de aanleuning naar de sprong toe beter te krijgen en de hand, in de laatste 2 of drie galopsprongen iets toe te staan waardoor je het paard uitnodigt de bovenlijn te strekken en te ontspannen. Zodra het paard de rug ontspannen en los durft te laten zal het in zijn techniek gaan springen. Tevens zal het de rust krijgen het spelletje te gaan begrijpen en het zal van de balk af willen blijven.
Doe je het een gaatje of 3 hoger, dan kan het goed zijn dat het paard weer met een gespannen rug gaat springen, het kan of durft dan gewoonweg de door de achterhand aangebrachte energie nog niet door zijn rug te laten lopen. Controleer eerst weer of het paard dressuurmatig lengte aan wil nemen zodat je zeker weet dat er geen fysieke beperking is waardoor hij de bascule niet kan of wil maken. Is daar niets mis mee, blijf dan ook hier weer net zolang op deze hoogte totdat het paard genoeg vertrouwen en zelfvertrouwen heeft om zijn rugspieren te durven ontspannen.

De ruiter moet er zorg voor dragen dat hij zelf zo min mogelijk fouten maakt. Eén keer een verkeerde afstand is op zich niet zo’n heel groot probleem als het laag is en het paard voldoende vertrouwen heeft door voldoende positieve ervaringen. Een verkeerde afstand met een wantrouwig (bijvoorbeeld een lerend) paard zorgt voor een boel problemen en kost een hoop tijd om recht te breien. Het is dus van belang voldoende controle (lees aanleuning) te hebben alvorens met het paard te gaan springen zodat het paard goed in het gat geplaatst kan worden. Springen met een drafbalk of in een lijntje kan wel al eerder. Het paard kan zo op een simpele manier vertrouwen in het springen te krijgen. Voor mij is dit een goede manier om het paard vast in zijn techniek over de sprong te laten gaan. Ik probeer altijd de afstanden van de drafbalk of tussen de hindernissen aan het paard aan te passen zodat het de meeste kans krijgt een fijne sprong te maken.

Elk paard zal, van nature, in een bepaalde mate voorzichtig zijn als het de fysieke mogelijkheden heeft en krijgt om in vertrouwen te gaan springen. Heeft het paard het spelletje begrepen dan zal het mee gaan denken in aanspanning, aantal galopsprongen etc.. Om dit te bereiken is het noodzakelijk dat de ruiter super consequent is en het paard telkens met dezelfde spanning, naar dezelfde afstand toe tracht te rijden. Een jong paard dat dit net begint te leren zal vaak proberen de leiding over te nemen. Het paard moet dan geleerd worden netjes te wachten op de hulp van de ruiter. Het mag dus wel meedenken maar niet meedoen of overnemen. Ook hier is dus weer een constante communicatie met het paard van belang zodat het voor het paard zo duidelijk mogelijk is of je wilt wachten, wilt sluiten of toe wilt rijden. Aanleuning dus.

Bij een paard wat wel goed over de rug loopt maar op de sprong zijn techniek nog mag verbeteren rijd ik, in de training, het liefst de laatste galopsprongen iets naar de hindernis toe. Het paard heeft zo voldoende impuls en kan van de energie uit de galopsprong gebruik maken om met zijn voorhand van de grond te komen en zijn achterbenen naar voren te plaatsen, waardoor zijn bovenlijn zo bol mogelijk wordt. Doordat de voorhand explosief van de grond komt kan er ook een snelle afdruk gegeven worden met de achterbenen en kan de veer in één keer ontspannen worden. Bij dit alles is een goede “durchlassigkeit” natuurlijk weer vereist. Je kunt het vergelijken met een atleet die hoogspringt; in de aanloop naar de sprong verruimt de springer zijn laatste passen om zo voorwaartse energie op te wekken die in de afzet plotseling gestopt wordt en wordt omgezet in een opwaartse impuls. Op dezelfde manier kan het paard zijn voorwaartse energie gebruiken door deze plotseling te stoppen met de voorhand en zo om te zetten in een opwaartse impuls om als het ware van de grond te ketsen. Het paard zet de voorwaartse galopsprong dus om in een opwaartse impuls om met de voorhand af te zetten en met de schoft omhoog te springen.

Door bovenstaande stappen bij het paard eigen te maken heb ik al menig paard met een ogenschijnlijk matige sprong, voorzichtig en goed in zijn techniek zien gaan springen. Vaak zit de techniek er wel in maar wordt hij ergens door belemmerd. Haal je de blokkades één voor één weg dan komt de techniek naar voren. Bij een getalenteerd paard, dat al een goede techniek heeft, is het zaak deze techniek te koesteren. Juist bij een paard dat zich zo los laat op de sprong is een beschadiging van het vertrouwen vaak een langduriger probleem waarbij vaak dezelfde onbevangenheid in de sprong niet meer volledig terugkomt. Er zijn vele honderden goede en constante ervaringen nodig om die negatieve ervaringen te laten slijten.

Aanleuning en springen.
Waarom is er eigenlijk een goede aanleuning vereist bij het springen? De plaats van afzet moet goed zijn, beslissingen betreft het verruimen of verkorten van de galopsprong moeten snel gemaakt kunnen worden. Het paard moet dus goed aan de hulpen staan, anders duurt de reactie te lang (beslissingen moeten binnen een mum van een seconde genomen worden). Er moet al activiteit aanwezig zijn om of naar voren te kunnen rijden. Als je bij je paard nog activiteit met behulp van je been moet gaan opwekken om hem naar voren te kunnen rijden ben je een galopsprong te laat en is de afstand groot.
Anderzijds moet het paard, om te kunnen sluiten/wachten, op het achterbeen zijn/komen anders drukt hij door je ophouding heen en gaat nog meer op de voorhand lopen met als gevolg een verkeerde afstand en geen goede sprong.

Moet je erg wachten of in de laatste twee of drie galopsprongen nog terugrijden dan is er een hoop kracht en energie nodig vanuit het achterbeen om het hele gewicht over de hindernis te kunnen drukken (het paard kan geen gebruik maken van de cadans en energie van de galopsprong of de snelheid) het moet dus op pure kracht. Loopt het paard op de voorhand en moet je terug dan loopt hij zonder verzameling van energie en kracht op het achterbeen onder de hindernis en kan hij haast geen sprong meer maken.
Dus of je nu moet wachten of naar voren moet; voor de juiste afstand en een goede sprong moet er een bepaalde mate van verzameling / begrensde reserve van door het achterbeen geleverde energie, zijn. Om deze geleverde energie te kunnen begrenzen en te kunnen controleren/doseren moet het paard tegen het bit aanlopen en wel recht op twee teugels (met gelijke druk op beide teugels) anders gaat hij scheef lopen (= knik in de bovenlijnboog = knik in veer van de rug = verlies aan veerkracht en souplesse en dus ook aan de controleerbaarheid en de mate van begrensde activiteit). Voor de benodigde aanspanning is dus aanleuning nodig.

Hoe meer aanspanning je kunt controleren hoe meer mogelijkheden je hebt/kan creëren, hoe beter de afstand van afzet, hoe beter de omstandigheden voor het paard voor een goede sprong, hoe kleiner de foutenmarge en dus de kans op balken.
Aanleuning + aanspanning + oog van de ruiter = precisie


Met dit stuk heb ik geprobeerd mijn visie over het trainen van springpaarden weer te geven. Ik heb getracht niet alleen te vertellen “hoe” ik het doe maar vooral ook “waarom” ik het doe zoals ik het doe.

Bij het begeleiden van andere combinaties, of het nu dressuur of springen is, vind ik het ook belangrijk dat mensen begrijpen “waarom” ze iets doen. Op deze manier wordt paardrijden logisch en kan men op een gegeven moment zelf problemen beredeneren en oplossen. De instructeur kan dan naar de achtergrond treden en is alleen nog een begeleidende of controlerende factor. Omdat het bij paardrijden allemaal zo nauw komt moet er vanuit gevoel gereden worden. Als je niet weet “waarom” je iets doet kun je nooit gevoel voor het paardrijden ontwikkelen en ben je altijd te laat met je reactie of hulpen. Uiteindelijk moet het simpel en logisch zijn.

Dat het simpel of logisch moet zijn geldt ook voor het paard. Het groene paard moet een aantal simpele basishulpen leren bijvoorbeeld; sturen, een reactie geven op je been, op het bit en de zit reageren, de hulpen voor galop. Alle andere oefeningen zijn een gevolg van hoe de ruiter deze basishulpen geeft en begeleidt. Standaard “knoppen”, voor schouderbinnenwaarts bijvoorbeeld, bestaan niet! Er zijn helaas veel paarden en ruiters die zo zijn opgeleid maar ondanks dat het er op het eerste gezicht uit ziet als een schouderbinnenwaarts, gaat het volkomen aan het doel van schouderbinnenwaarts voorbij.

De oefening is een weg naar een doel (bijvoorbeeld een beter ondertredend binnenachterbeen) maar geen doel op zich. De oefening moet geen circustrucje worden. De hulpen moeten voor het paard altijd kunnen worden teruggebracht op de basishulpen. Alle gegeven hulpen moeten iets betekenen.

Ik hoop dat ik iets van mijn visie duidelijk heb kunnen maken en hoop, in de toekomst, mijn gedachten over alle aspecten van de paardensport op papier te zetten.
Mocht u vragen, commentaar of punten van discussie hebben dan zou ik het zeer waarderen als u deze naar mij zou e-mailen (Info@springpaardentraining.nl). Wellicht leidt dit tot een optimalisatie van de prestaties van onze sportpaarden. Dat staat, voor mij in ieder geval, voorop. .